Gladde slang

Een slang zonder gif…
Dan spreken we niet over de adder (Vipera berus), maar hebben we het over de gladde slang (Coronella austriaca). In het Grenspark is een kleine populatie van de gladde slang aanwezig. Deze wordt reeds gedurende vele jaren gevolgd door specialisten van het monitoring team van het Grenspark. Meerdere keren per jaar trekken ze erop uit om gladde slangen te inventariseren. Elke slang wordt gewogen en gemeten en nog belangrijker, bij elke slang wordt een foto of tekening gemaakt van het koppatroon, want dat is voor elke slang uniek. Aan de vorm van het “kroontje”, de oogstreep en de vlekken op de eerste centimeters achter de kop, zijn gladde slangen individueel herkenbaar.
Na 9 jaar onderzoek werden al niet minder dan 150 verschillende volwassen gladde slangen opgetekend. Sommige slangen zijn zeer plaatstrouw en worden 2 of zelfs 3 jaar na elkaar op dezelfde plaats gevangen, de oudste slang die meerdere malen teruggevangen werd, is minstens 4 jaar.)


 
Wat de gladde slang zo speciaal maakt, is dat hij in vele natuurinrichtingsplannen voor heideherstel steeds vaker fungeert als een gidssoort vanwege de hoge eisen die hij stelt aan zijn leefgebied, zowel wat betreft kwantiteit als kwaliteit. Eén ding is zeker: hij heeft voldoende grote gebieden nodig om te kunnen overleven. In Vlaanderen vind je hem in de provincie Antwerpen nog op 3 locaties: in het Grenspark en in de omgeving van Ravels en Mol. In de provincie Noord-Brabant aan Nederlandse zijde zijn nog 4 gekende gebieden: met name het Grenspark, in de omgeving van Zundert, tussen Reusel en Bergeijk en in de buurt van de Peel.
 
Hoge eisen:
Je treft hem het beste aan daar waar hij voluit kan zonnen. Meestal zijn dit op het zuiden gerichte hellingen, maar het kunnen net zo goed begroeide stuifduintjes zijn, slootkanten, taluds van greppels, maaisel- en plaghopen. Verder bestaat de bodemvegetatie in zijn voorkeursleefgebied uit structuurrijke oude heide, maar vergraste plekjes zijn ook in trek. Een bodem of bodemlaag met een losse structuur, waarin zich veel holen en gaten bevinden, heeft de voorkeur, omdat daar veel mogelijkheid is om zich te verschuilen.