Flora van de bossen

oude zomereik

Het grootse deel van de bossen bestaat uit zeeden, grove den en Corsicaanse den. Omwille van de grote en snelle houtproductie werden zeedennen in de jaren 1950 vooral aangeplant aan Nederlandse kant. De zeeden heeft opvallend lange, stijve grijsgroene naalden (10-20 cm) en grote glanzend bruine kegels.
De inheemse grove den herken je aan zijn roodbruine takken en bovenstam, de kleine donker grijsbruine kegels en de korte, blauwgroene naalden.
De Corsicaanse den heeft forse grijsgroene naalden, gelig bruine kegels, en wat vooral opvalt, is de donkere zwartbruine stam.
In de wat oudere bossen waar al meer ruimte gekomen is, vinden we inheems loofhout als berk, zomereik, spork en lijsterbes.
De kruidlaag bestaat vooral uit pijpenstrootje of bochtige smele. Op de grotere open plekken in het bos groeit struikhei en op sommige plaatsen blauwe bosbes. In de herfst kan je genieten van de vele paddenstoelen: vliegenzwam, aardappelbovist, duivelsbroodrussula, koeienboleet, parelamaniet zijn maar enkele soorten van deze belangrijke schakels in de kringloop van de natuur.
In heel het Grenspark wordt, waar nodig en gewenst, flink geïnvesteerd in de bestrijding van Amerikaanse vogelkers en rododendron, twee exotische soorten.
De Amerikaanse vogelkers werd ooit aangeplant omwille van zijn snel verterend blad dat de schrale bosbodem moest verbeteren. In de landgoederen werd hij tevens aangeplant als beschutting voor het jachtwild. Doordat hij zich zo snel uitzaait en alles overwoekert, verdringt hij inheemse bomen en struiken.
De rododendron werd als sierstruik aangeplant in de 18e-19e eeuw, ter verfraaiing van de landgoederen. Ook deze struik verspreidt zich vlot door zaad en worteluitlopers. De afgevallen bladeren vormen een dikke strooisellaag waarin niets ontkiemt.