Toponiemen van duinen

De Boterbergen
In het huidige bosgebied ten oosten van het Stappersven lagen vroeger hoge onbegroeide duinen. De naam “Boterberghe” verwijst naar de kleur van het gele zand.
In 1823 kocht graaf Charles-Guillaume de Mérode-Westerloo hier gronden uit de vroegere eigendommen van de abdij van Tongerloo. Een van de volgende eigenaars liet hier tussen 1860-1865 duinzand afgraven en wegvoeren naar Antwerpen voor het dempen van de Spaanse vesten. Het is tevens de naam van het kasteeltje dat er in 1874 gebouwd werd door het echtpaar Ommeganck-Moons . In 1922 liet Hector Carlier het door de architect Max Winders volledig verbouwen. De verschillende eigenaars legden bossen aan op het domein.
In 2009 kocht Natuurpunt een deel van dit bos uit de erfenis van Marie-Antoinette Carlier.

Hazenduinen
Net zoals de nabijgelegen Vossenbergen, verwijst het eerste deel van dit woord naar een dier. In lang vervlogen tijden werd er op de heide veel gejaagd en ook veel gestroopt, maar er zijn weinig toponiemen waarin een dierennaam voorkomt.

Kambuusduinen
Tijdens de zandafgraving in de Kalmthoutse Heide, werden midden in de Kalmthoutse duinen houten barakken opgericht als verblijf voor de werklieden. Toen de Antwerpse bouwwerken op volle toeren draaiden, werden er veel werkkrachten uit de nabije omgeving aangetrokken. Soms waren er meer dan 200 arbeiders aan het werk. De keten kregen de naam Cambuus. Voor deze naam zijn twee mogelijke verklaringen:
- Cambus of Cambuus zou afgeleid zijn van ‘kombuis’, scheepskeuken. De uitbaatster was ooit kokkin op een schip en de Waalse ploegbazen zouden dit woord verbasterd hebben tot het Frans klinkende ‘Cambus’.
- het kampement of “kamp-huis” voor de arbeiders, werd “kamp-huus” of “Cambuus” genoemd.
Na de stopzetting van de zandafgraving, baatte de legendarische Moeder Kee de Cambuus verder uit. Zij hield er geiten, kippen en varkens, had er een groententuintje en bakte er brood. Voor toeristen, stropers, jagers en natuurminnaars was haar herberg een oord van verpozing. Kunstschilders, waaronder Lamorinière, Van Kuyck, Rul, De Vadder, Roels en Delderenne, vonden de weg ernaartoe. De Cambuus werd afgebroken toen Moeder Kee in 1920 bij haar dochter introk.

Zie ook Zand voor bouwwerken

Keetheuvel
Benaming van het duin in de bocht van de Verbindingsweg.
Een “keet” was het onderkomen van de seizoenarbeiders die werkzaam waren in de turfontginning. De keten stonden in het veen of aan de rand ervan, op een droge, hogere plek. Bij de veenontginning waren veel arbeidskrachten nodig. De arbeiders werden geronseld in de wijdere omgeving en waren vaak te ver van huis zodat zij tijdens het turfseizoen ter plaatse bleven. In 1496 worden 24 keten vermeld in de moeren van Kalmthout en Essen.
De turfarbeiders waren ingedeeld in ploegjes van vier mannen, één vrouw en één hond. De vrouw werd ‘keetwijf’, genoemd. Haar taak bestond uit het bereiden van de maaltijden en het maken van de turfhopen. De hond bewaakte de eigendommen wanneer de mannen aan het werk waren. De keten waren wellicht schamele onderkomens opgetrokken uit hout en plaggen, het materiaal dat ter plaatse te vinden was.
De Keetheuvel lag ooit als een dwarsduin over de weg heen. Na de Tweede Wereldoorlog werd hier niet ontplofte munitie bij elkaar gebracht om ze te vernietigen. Bij het opblazen ervan, vloog een deel van het duin mee de lucht in, zodat er nu aan weerszijden van de weg een duin ligt.

Nolse duinen
Zie De Nol

Paalberg
De grens tussen Nederland en België loopt over dit hoge duin (30m boven zeespiegel). Op de top staat een stenen grenspaal. In gebieden waar geen natuurlijke grenzen lagen, dienden vennen en duintoppen als referentiepunten om de grenzen te trekken.
Vanaf de Paalberg trok men rechte lijnen naar de volgende grenspunten, nl. Schommersput in het zuiden en de oostelijke punt van de Groote Meer in het noorden. Bij dat laatste punt staat ook nu nog steeds een grenspaal.
In 1336 kwam er een officiële grensafbakening van de Heerlijkheid Kalmthout-Essen-Huijbergen, waarbij 117 getuigen aanwezig waren. Zij moesten onder ede bevestigen waar de “paalsteden” (grensstenen) steeds hadden gestaan. Door een rechte lijn van Zustermeer (Groote Meer) naar Hertsputte te trekken, werd Huijbergen in 2 gesplitst. Het westen behoorde toe aan de Heer van Bergen op Zoom, het oosten aan de hertog van Brabant.
Het gevolg was 5 eeuwen ruzie.

Vossenbergen
Het eerste deel van dit toponiem verwijst naar de vos, een dier dat steeds in de heide leefde en er nog altijd leeft. Het is tevens de naam van het hoogste duin (40 à 45m boven zeespiegel) dat ooit in de Kalmthoutse Heide lag. Het werd volledig afgegraven in de 19e eeuw. De plaats waar dit duin ooit lag, wordt nu nog steeds ‘Vossenbergen’ genoemd, hoewel de duinen er verdwenen zijn.
Meester Verhoeven (°1846 te Putte NL), onderwijzer, botanicus en entomoloog, beschreef de verdwenen Vossenberg als volgt : “…van zijn top had men de heerlijkste vergezichten. In zuidwaartse richting viel het oog op de Scheldestad met haren majestueuzen toren en torens en gebouwen in blauwen nevel gehuld; - noordwaarts op het voormalig Wilhelmietenklooster, te Huijbergen, en, op aanmerkelijke afstand verder, op den uit den blauwen nevel oprijzenden toren der voormalige Sinte-Gertrudakerk te Bergen-op-Zoom; - westwaarts op de torens en dorpen Putte, Ossendrecht en Woensdrecht en op den Scheldestroom, zich vertoonende als een breed zilveren lint aan den verren horizon. . .”

Wilgenduin
Recente benaming van het duinmassief tussen Keetheuvel en Vossenbergen, waar ooit veel kruipwilg groeide. Kruipwilg is een dwergsoort, aangepast aan een drogere omgeving, een typische zandvastlegger. Doorwinterde heidefans vertellen dat rond 1945 de Wilgenduinen voor meer dan de helft bedekt waren met kruipwilg.

Steertse Heide/ Duinen, Staartse Heide/Duinen
Met deze namen worden de heide- en duingebieden ten zuiden van Huijbergen aan weerszijden van de landsgrens aangeduid.
Op oude kaarten vinden we voor heel dit gebied het toponiem “ ’s Heeren Heyde”, namelijk de heide die eigendom was van de ‘heren’ van Tongerlo en Huijbergen. In andere oude documenten is er sprake van “ ‘s Heeren Straete”, “Steensche Heide” of “Steensche Straet”. Heeft dat misschien iets te maken met de “stenen” die als richtpunten op de grenslijn tussen Hertsputte en De Groote Meer stonden? In het verleden werden over het gebied rondom Huijbergen meerdere kaarten getekend, alle met de bedoeling de exacte ligging van deze stenen op schrift te stellen. De grens bleef immers een bron van twist tussen de abdij en het klooster. En dan zijn er nog kaarten en documenten waar het gebied ten zuiden van het klooster “den Stert van het Clooster” heet.
Vroeger kon niet iedereen schrijven en het lezen en overschrijven van oudere documenten werd vaak erg vrij geïnterpreteerd. Dat kan leiden tot belangrijke verschrijvingen.