Toponiemen van vennen

Biezenkuilen
Een andere naam voor dit ven is “Kempe(n)kuilen”. Een mogelijke verklaring voor deze benaming, is te vinden in “kemp”, een oud woord voor hennep. Naast linnen (vlas) en wol, was hennep vroeger een veel gebruikte vezel voor de vervaardiging van textiel. Het was ook de grondstof voor touwen. Uit oude teksten blijkt dat in de omgeving hennep geteeld werd, o.m. op de Voorste Hoeve.  Om de vezels gebruiksklaar te maken, moesten de planten eerst in water geweekt worden. Mogelijk gebeurde dat in vennen. In een tekst van 1362 wordt ook een ‘Kempenven’ in Kalmthout vermeld.
De naam “biezen” wordt gegeven aan pitrus, een plant die verschijnt op bemeste gronden. Rond 1900 begon men in de omgeving van de Biezenkuilen met omzetting van natte heide naar weilanden. Deze weilanden waterden af naar de Biezenkuilen, waardoor er verrijking optrad en pitrus ging groeien.

Drielingvennen
Links van de Verbindingstraat liggen enkele kleinere vennen. Bij lage waterstand worden er drie vennetjes gevormd. In de middeleeuwen werd hier turf gestoken. Via grachten stonden de vennen in verbinding met het Stappersven, zodat ze dienst konden doen als bufferbekkens voor het water dat nodig was bij turftransport. Tot ver in de 20e eeuw bestond de overtuiging dat heide nutteloze grond was die moest en zou ontgonnen worden. In de jaren 1920 had de Boerenbond plannen om het natte veengebied van de Drielingvennen en het Stappersven te ontwateren, te bemesten en om te zetten in landbouwgrond. De economische crisis van de jaren ‘30 dwarsboomde gelukkig deze plannen.

De Groote Meer
Een groot ven ten zuidwesten van Huijbergen, en bij uitbreiding heel het domein errond. We komen zowel “de Meiren” (lokale uitspraak van ‘meer’) als “Sustermeijre”(Zustermeer) tegen in oude geschriften. Bij lage waterstand ontstaan er inderdaad twee gescheiden vennen. De Groote Meer was van belang voor de Wilhelmieten van Huijbergen voor de jacht en de visvangst. Ze getroostten zich veel moeite om het water in het ven op peil te houden. Na de Franse Revolutie werd het aangeslagen kerkelijk goed door de Nederlandse Staat verkocht. De eigenaars begonnen met de bebossing van het domein.
Toen bij het begin van de 20e eeuw een aantal heidegronden in het noorden van de Kalmthoutse Heide in landbouwgrond werden omgezet, kwam er extra water naar de Groote Meer. Omdat het ven geen natuurlijke afvoer had, werd in 1915 een afvoerkanaal gegraven naar de zuidpolder van Ossendrecht. In 1918 waren akkers en weilanden in de polder bedekt met aangespoeld duinzand. In de winter 1925-1926 stond heel het gebied ten oosten van de Putse Weg onder water.
Er waren ooit grote vogelkolonies van kokmeeuwen, noordse stern, visdiefje, tureluur … en zelfs een ringstation. Door waterwinning in de nabije omgeving en door de massale bosaanplant, verdwenen de vogels vanaf 1987.
In 1952 nam het Ministerie van Oorlog een deel van het landgoed in huur voor gebruik als militair terrein. Later werd dit deel door Natuurmonumenten aangekocht.
 
Kleine Meer
Een kleiner ven, vlakbij de Groote Meer. Het wordt er vaak in één adem mee genoemd.
 
Kriekelarenven (Kriekelareduinen)
Met dit toponiem wordt een groot gebied aangeduid midden in het centrale heidegebied. De naam blijft raadselachtig.
Over fruitbomen gaat het wellicht niet, want die groeien niet in deze schrale bodem.
Op oude kaarten vinden we ook de benaming ‘Krikelaeren’. “Krik” is een oud woord voor wintertaling, een kleine eend die broedt op de vennen. De naam berust op de nabootsing van de roep van de eend. ‘Laer’ is een bosachtig, moerassig terrein.

De Nol
Nol betekent bult of zandheuvel, wat verwijst naar de hoge duinen die hier ooit lagen. Door verstuiving (windwerking) werd een deel ervan langzaam het moeras ingeblazen. De naam van het duin is overgegaan op de laagte. De Middelleeuwse naam van de duinen was Zwartenberg, wat mogelijk verwijst naar de donkere kleur van het veen.
De Nol is een uitgegraven veengebied, waar men al in de 14e eeuw turf stak. Heel het veengebied van de Nol werd systematisch afgegraven tussen de 14e eeuw en 1733. Nadien ontstond in de achtergebleven laagte een veenmoeras met vennetjes.
Vanuit de Nol vertrokken verschillende turfvaarten. De oudste was de Oude Moervaart die via de Spillebeek naar Nispen en zo naar Bergen op Zoom liep.
Begin 17e eeuw werd er een nieuwe vaart gegraven om de turf naar de haven van Roosendaal te vervoeren. Vandaag is deze vaart nog steeds terug te vinden in het landschap. Ze werd om haar bijzonder cultuurhistorisch karakter zelfs als monument geklasseerd.

Putse Moer
De Voorste en Achterste Putse Moer waren twee veengebieden waar vanaf de Middeleeuwen turf werd gestoken. Het gebied lag vlak bij de grens met Putte en eigenlijk hadden de inwoners van dat dorp geen rechten op de vroente van Kalmthout. Toch kwamen zij er turf steken, wat dan leidde tot veel gekibbel.
Al in 1552 werden de Putse Moer en omliggende gronden door de abdij van Tongerlo in ‘eeuwigdurende cijns’ uitgegeven aan de lakenverver Hijoel. Een groot deel van het gebied kwam later in het bezit van de familie Moretus, eigenaars van het domein Ravenhof (Stabroek), waarmee het ooit één geheel vormde. Jonker Moretus liet hier de Hoge Berg aanleggen, die met een dreef in verbinding stond met de Gloriette.
Bij het begin van de 20e eeuw liet de toenmalige eigenaar, de chocoladefabrikant Louis Meurisse, een grote witte villa bouwen aan de oever van het ven.

Stappersven
Het prachtige Stappersven is het grootste ven van het Grenspark. Het was een vochtige laagte waarin ooit veenvorming plaatsvond.
Uit de cijnsboeken van Tongerlo weten we dat de “Stompaertshoek” een veengebied was dat tussen de 14e en de 16e eeuw volledig werd uitgedolven.
Het veen werd afgegraven door boeren uit de omgeving. Daarvoor stelde de abdij kleine kaveltjes ter beschikking. Een ‘stomper’ is een oud woord voor stumper, sukkel, iemand die het niet breed heeft, wat mogelijk op deze boeren van toepassing was. De plaats lag afgelegen in de heide, in een uithoek. Mogelijk is ‘hoek’ vervangen door ‘ven’ nadat hier een grote waterplas was achtergebleven na de turfontginning. Door verschrijvingen kan ‘Stompaerts’ omgevormd zijn tot ‘Stappers’. Vanaf 1681 treffen we de naam ‘Stappersven’ aan.
In 1823 kocht graaf Charles-Guillaume de Mérode-Westerloo een gedeelte van de vroegere eigendommen van de abdij van Tongerlo, waaronder het Stappersven en de Boterbergen. Later werd het domein verkocht en verdeeld over een twaalftal eigenaars.
In 1926 was er een poging tot ontwateren van het Stappersven voor de aanleg van weilanden en akkers. Enkele jaren later wisselde het ven van eigenaar en omdat die liever een jachtgebied had, werden de weilanden terug onder water gezet. Op een van de eilandjes werden ganzenroeren geïnstalleerd om op eenden en ganzen te schieten.
Nu wordt er niet meer gejaagd en kunnen watervogels er in alle rust broeden, pleisteren of overwinteren.
In 2009 kocht Natuurpunt het Stappersven en een deel van het omliggende bos uit de erfenis van Marie-Antoinette Carlier.

Van Ganzenven
Enkel in zeer regenrijke periodes staat er water in dit ven.
Het is gelegen vlak bij de ‘Oasis’, een plaats in de heide waar rond 1850 enkele onwettige nederzettinkjes werden opgetrokken. Daarvoor werd een jaarlijkse cijns betaald aan de gemeente en de toestand groeide langzaamaan uit tot een eigendomsrecht. De bewoners plantten er bomen en boerden er een beetje, zodat er stilaan een groene oase ontstond temidden van de kale heide. Op het einde van de 19e - begin 20e eeuw stond er een herberg ‘Oud Antwerpen’, die druk bezocht werd door kunstenaars en natuurvorsers. Het waren zij die de naam ‘Oasis’ aan deze plek gaven. Voor WOI woonde hier ook Carolus Van Gansen, die er groenten, jonge planten en bloemen kweekte. Hij genoot enige bekendheid in Kalmthout en het nabijgelegen ven werd naar hem vernoemd.

Wasven
In heel het Grenspark liggen meerdere vennen die vroeger de naam ‘Wasven’ droegen, omdat de plaatselijke bevolking ze gebruikte om de schapen te wassen voor het scheren. Ook werd er kleding, beddengoed en wol in gewassen.
Ook het wassen van zand gebeurde in de vennen. Zand was het schuurmiddel voor de afwas en werd in de huizen op de stenen of aarden vloer gestrooid. Om van het heidezand mooi wit zand te maken, moest het een aantal malen gespoeld worden, totdat alle vuile deeltjes eruit verwijderd waren.

Zwaluwmoer
Een verschrijving van “Swalmmoer” dat op oude kaarten en in oude teksten te vinden is. “Swalm” is een oud woord voor diepe waterkolk, een diepe put. In 1721 brachten de Wilhelmieten van Huijbergen hun vis in veiligheid in het diepere Swalmmoer, toen de Groote en Klein Meer drooggevallen waren.