Van oerbos naar heide

4.500 jaar geleden begonnen de Steentijdmensen het oorspronkelijke bos te rooien. Stilaan kwam heide in de plaats. Boeren waren afhankelijk van de heide. De heide was graasgrond voor de schapen, men stak er plaggen, haalde er hout, strooisel en alles wat kon dienen voor huis en stal. De plaggen kwamen in de potstal terecht, waar de schapen ’s nachts hun mest deponeerden. De zo vergaarde mest hield de akkers vruchtbaar.
Deze manier van landbouw vereiste een uitgestrekt heidegebied. Geschat wordt dat voor één hectare akker er minstens tien hectaren heide nodig waren om plaggen te steken en als graasgrond voor de schapen.
Met deze landbouwpraktijken hielden de boeren de heide in stand. Telkens opnieuw werden de heidestruiken afgemaaid of afgeplagd. Daardoor werd de vegetatie alsmaar voedselarmer. Maar de heide groeide prima op deze arme, open gronden.  En het vee dat in de heide graasde, verhinderde dat het bos terugkwam.